Het Woord recht snijden (2 Timotheus 2:15)
Met een principe dat alleen de discipelen begrepen

Een bijbelstudie door Mike Vinson, vertaald door Robin Korevaar

De Bijbel is zonder enige twijfel het bekendste boek in de geschiedenis van de mensheid. Het is het meest aangehaalde boek op aarde. Al tientallen jaren is de bijbel ook het best verkochte boek ter wereld en verkoopcijfers passeren elk jaar de 100  miljoen. Alhoewel het zonder twijfel het meest geciteerde en meest populaire boek is, is het tevens het minst begrepen boek aller tijden. Waarom is een boek zo universeel erkent als het Woord van God, of op zijn minst het grootste literaire werk wat bestaat, zo onbegrepen en wordt het zo genegeerd ?

God geeft ons Zijn antwoord op deze paradox. In dit antwoord wordt ons een sleutel gegeven die de Schriften opent. Deze stelling komt direct van de geest van God via de pen van de apostel Paulus: "… Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden…"(1 Kor. 2:14)

Het is belangrijk dat je opmerkt: …. De dingen die des Geestes Gods zijn….worden geestelijk onderscheiden. Ze zijn dwaasheid voor de natuurlijke mens. De natuurlijke mens  kan het idee hebben dat hij of zij ze wel wil ontvangen, maar….hij kan ze niet weten omdat ze geestelijk onderscheiden worden.

Er is dus geen hoeveelheid boeken, uitlegging of scholing die ons de mogelijkheid geven te ontvangen….de dingen van de Geest van God…want ze worden geestelijk onderscheiden.

Scholing is geen gift van de Geest van God. Als we vaststellen wat de geleerde leiders van de kerk over Christus zeiden, …Hoe kent deze man de schriften terwijl Hij niet geleerd heeft ? Christus was niet ongeletterd, en de Farizeeërs onderkenden dat feit. Ze konden echter niet begrijpen waar Zijn “kennis van de Schriften” vandaan kwam daar Hij nooit gestudeerd had binnen hun opleiding systeem. Christus was niet als de geleerde farizeeër, de apostel Paulus, die grootgebracht was aan de voeten van Gamaliël.  En toch, op twaalfjarige leeftijd hoorde en ondervroeg Hij de geleerden in de tempel te Jeruzalem. “En allen, die Hem hoorden, ontzetten zich over Zijn verstand en antwoorden.” (Lukas 2: 4)

Hoe kwam Christus aan deze kennis ? Het antwoord wordt ons gegeven in een reactie van Christus op een antwoord van Petrus “….Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. (Matth. 16:16) De reactie van Christus was, is en zal zijn: “Zalig zijt gij, Simon, Bar-jona! want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is. (Matth. 16:17)

Blijkbaar is er geen hoeveelheid onderwijs die iemand “geestelijk onderscheidingsvermogen” geeft. Alleen aan wie de Vader het openbaart.

De apostel Paulus maakte een statement aan een jonge man, en dit statement heeft door de jaren heen veel discussie en twist veroorzaakt. Timotheus was een persoon die bij Paulus een speciaal plekje had, hij noemde hem zelfs “mijn geliefde zoon” (2 Tim. 1:2). Dit gezegd hebbend, zette hij Timotheus aan te studeren “… een arbeider, die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt.” (2 Tim. 2:15)

Zou het mogelijk zijn dat er een verband is tussen “het Woord der waarheid recht snijden” en het “geestelijk onderscheiden” uit 1 Kor. 2:14 ? Het antwoord op deze vraag en de diepte van deze beide Schriftgedeelten word ons aangetoond in de Schriften zelf, in de voorbeelden die voor ons gesteld zijn door Christus en Zijn apostelen. Zijn we het eens dat de diepe kennis van de Schrift die Christus had ook onze kennis moet worden ? Zou de apostel Paulus de Schrift op één manier recht snijden en dan van ons verwachtten om het op een andere manier recht te snijden ?

Laten we dan, zonder enige “drekgoden in ons hart” (Ezechiel 14:4) op te zetten, onderzoeken hoe Christus, de schrijvers van de Evangeliën en de apostel Paulus “het Woord der waarheid recht snijden”. Laten we met een op God gerichte geest, en niet naar de wijsheid van mensen, zoeken naar de voorbeelden die ons geestelijk onderscheiding geven van “de dingen van de Geest van God”

De beste verhandeling aangaande dit onderwerp, zover de kennis van ondergetekende strekt, ligt in de bladzijden van een 150 jaar oud boek geschreven door een zekere Andrew Jukes. De titel van het boek luidt: The Mystery of the Kingdom. Het valt mr. Jukes op dat Christus “het Woord van God” (Joh.1:1) genoemd wordt. Als zodanig, wat er toegepast werd aan Christus in het vlees, wordt ook zo toegepast in het geschreven Woord. In tegenstelling tot het moderne gedachtegoed over Christus, zo heeft Hij vaak een halo (lichtgevende cirkel) rond zijn hoofd, is er niets verder van de waarheid. De waarheid is dat Christus er zeer gewoon uitzag. Als je Hem alleen in het vlees zag, zou je nooit kunnen zien dat Hij de Zoon van God was. Zoals we al aangaven, werd dit aan weinig mensen geopenbaard, en niet door vlees en bloed, maar door “mijn Vader die in de hemelen is” (Matth. 16:17) Christus was, zo naar het zich liet aanzien, net zo gewoon als elk ander mens.

Maar er is meer aan deze Jezus, de “zoon van Jozef” dan het zich op het eerste gezicht laat aanzien. Als je naar Christus keek, kon je niet de grenzeloze liefde in Hem onderscheiden. Je zou je niet realiseren als je Hem zomaar tegenkwam en Hem de hand zou schudden dat Hij zo compleet één is met het geschreven Woord. Niemand zou, zonder openbaring van God de Vader, ooit weten dat deze Man op bovennatuurlijke wijze verwekt, en de eniggeboren Zoon van God is.

Nee, uitwendig had Hij de perfecte vermomming als zijnde de Schepper van het universum. “Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem gemaakt; en de wereld heeft Hem niet gekend.” (Joh. 1:10) “Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.” (Joh. 1:11). Iemand die de Christus niet nodig dacht te hebben, herkende zeker niet wie Hij in werkelijkheid was.  Iemand die tot Christus kwam en Hem vergeleek met hun vooringenomen idee dat de Messias een fysiek sterke man zou moeten zijn met de mogelijkheden om de Romeinse onderdrukkers het land uit te jagen, was zeker teleurgesteld.

Voor de “rechtvaardigen” van die tijd, was Hij een bijzonder grote teleurstelling, Hij plukte koren op de Sabbat, Hij genas mensen op de Sabbat, Hij vertelde een man om zijn bed op te nemen en er mee weg te lopen op de Sabbat. Voor zulken was Christus een gesloten deur en hield Hij God uit het zicht.

Als dit allemaal waar is aangaande Christus, het Vlees geworden Woord (Joh. 1:1) dan moet hetzelfde waar zijn aangaande het geschreven Woord. Is het waar aangaande het geschreven Woord ? Is er waarlijk meer te ontdekken dan het zich op het eerste gezicht laat aanzien ? Zou het kunnen zijn dat, net zoals het Vlees geworden Woord verborgen was alhoewel Hij zich in het openbaar bewoog, dat zo ook het geschreven Woord, alhoewel voor iedereen te zien, dat met uitzondering van “hen die het gegeven is” (Matth. 13:11) niemand het ziet ? Zou het mogelijk zijn dat het zo complex en diepgaand is dat het simpel lezen van de woorden, met inachtneming van de context regels van mensen, en te geloven wat is opgeschreven, onvoldoende is om de diepe betekenis te bevatten van wat er gezegd wordt ?

Hoe om te gaan met het Woord van God ?

Zeker is dat het principe om “het Woord recht te snijden” voor een groot deel geopenbaard word als je ziet hoe de schrijvers van het Nieuwe Testament het Woord van het Oude Testament begrepen en gebruikte. Zij kunnen ons niet vertellen om “het Woord recht te snijden” door simpelweg de context en de geschreven woorden in acht te nemen, terwijl zij zelf de context negeerde en een totaal andere betekenis aan woorden gaven dan ze in eerste instantie in originele staat betekenden. Doen ze dat echt ?

Citeren de schrijvers van het Nieuwe Testament het Oude Testament uit de context ? Laten we dat met een biddende geest controleren en zien.  Laten we de allereerste Schrift welke uit het Oude Testament geciteerd wordt in het Nieuwe Testament is heel goed bekijken. Maria, de moeder van Jezus is zwanger, en het huwelijk is nog niet voltrokken. Deze situatie verlangt een uitleg, dus Maria verteld Jozef de waarheid. Wat is de waarheid ? Volgens de Schrift is “Uw woord is de waarheid” (Joh. 17:17). Is de waarheid voor Jozef (of wie dan ook) makkelijk te accepteren ? Nee ! Noch Jozef, noch u, noch ik zou Maria geloofd hebben. De context eist dat we haar niet zouden geloven. Alleen de meest onnozele en door liefde verblindde man zou zo een fantastische verklaring slikken…maar het was wel de waarheid. Net als met Petrus (Matth. 16:17) zo met Jozef, zo met u en zo met mij, is er een bovennatuurlijke openbaring nodig om iemand van de waarheid te overtuigen. “…want hetgeen in haar ontvangen is, dat is uit den Heiligen Geest; En zij zal een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.” (Matth. 1: 20-21)

We komen nu bij het eerste Oud Testamentische Schriftgedeelte wat geciteerd wordt in het Nieuwe Testament. “En dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden, hetgeen van den Heere gesproken is, door den profeet, zeggende: Ziet, de maagd zal zwanger worden, en een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten Emmanuel; hetwelk is, overgezet zijnde, God met ons." (Matth. 1: 22-23) Was dit vanuit de Schrift echt over Christus geschreven zoals Mattheus hier schrijft ? Is dit de context waarin we het vinden ?

Laten we de context controleren.  Hedendaagse methode voor schriftuurlijke interpretatie leert dat de eerste regel om het Woord van God te begrijpen het onderzoeken van de context is. Dit vers (Matth. 1:23) wordt geciteerd vanuit Jesaja 7:14. Het is wel zeker dat het de algemeen geaccepteerde hedendaagse regels voor schriftuurlijke interpretatie niet volgt. De context laat zien dat de geciteerde Schrift geadresseerd is aan koning Achaz, de koning van Juda

Voor het natuurlijke, niet onderscheidende oog, is er hier niets wat een verbinding met de geboorte van Christus maakt.  Achaz maakte zich zorgen over koning Pekah, van het noordelijke koninkrijk van Israël die met Rezin, de koning van Syrië die samenzwoeren tegen hem. Wat voor teken zou de geboorte van de Messias, zo een 480 jaar later voor Achaz betekenen ? De nood (context) was van onmiddellijke urgente aard.

Maar zonder enige uitleg of verontschuldiging past Mattheus dit vers toe op de geboorte van Christus. Zomaar...uit het niets, de context context context regels van het moderne christendom worden volledig aan de spreekwoordelijke laars gelapt. Het volgende hoofdstuk uit Mattheus bevat ook profetieën die ogenschijnlijk compleet uit hun context gehaald worden. Het verhaald over de wijze mannen vanuit het oosten naar Jeruzalem komen, op zoek naar “de koning van de Joden” (Matth. 2:2) Nadat Herodes, na geïnformeerd te hebben bij de hoge priesters en de schriftgeleerden, vertellen de wijzen dat de profeten gezegd hebben dat de Messias in Bethlehem geboren zal worden. “En hen naar Bethlehem zendende, zeide: Reist heen, en onderzoekt naarstiglijk naar dat Kindeken, en als gij Het zult gevonden hebben, boodschapt het mij, opdat ik ook kome en Datzelve aanbidde.” (Matth. 2:8)

De wijzen vinden Christus, aanbidden Hem en geven Hem hun geschenken…. “En door Goddelijke openbaring vermaand zijnde in den droom, dat zij niet zouden wederkeren tot Herodes, vertrokken zij door een anderen weg weder naar hun land.” (Matth. 2:12) Nadat de wijzen zijn vertrokken verschijnt , “de engel des Heeren aan Jozef in den droom, zeggende: Sta op, en neem tot u het Kindeken en Zijn moeder, en vlied in Egypte, en wees aldaar, totdat ik het u zeggen zal; want Herodes zal het Kindeken zoeken, om Hetzelve te doden.” (Matth.2:13)

Hier komen we bij onze volgende uit-de-context profetie…let op: “Hij dan opgestaan zijnde, nam het Kindeken en Zijn moeder tot zich in den nacht, en vertrok naar Egypte; En was aldaar tot den dood van Herodes; opdat vervuld zou worden hetgeen van den Heere gesproken is door den profeet, zeggende: Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen.” (Matth. 2: 14-15)

Dit is geciteerd uit Hosea 11:1 waar geschreven staat: “Als Israël een kind was, toen heb Ik hem liefgehad, en Ik heb Mijn zoon uit Egypte geroepen.”  

In de context zegt Hosea dat toen Israël uit Egypte geroepen werd, ze bezig waren God de rug toe te keren. “zij offerden den Baals, en rookten den gesnedenen beelden.” (Hosea 11:2) En weer past Mattheus, zonder verdere uitleg, een vers, compleet uit de context, toe op Christus terugkeer uit Egypte. We beginnen ons wel af te vragen, met het oog op de moderne context-context-context theologie, waarom verklaart Mattheus zichzelf niet ?

Laten we verder gaan met deze “volledig uit de context” en “daar kun je alle kanten mee op” toepassingen in de Heilige Schrift. De regels van exegeses,  wordt in de komende verzen nog een veel groter geweld aangedaan. “Als Herodes zag, dat hij van de wijzen bedrogen was, toen werd hij zeer toornig, en enigen afgezonden hebbende, heeft omgebracht al de kinderen, die binnen Bethlehem, en in al deszelfs landpalen waren, van twee jaren oud en daaronder, naar den tijd, dien hij van de wijzen naarstiglijk onderzocht had.” (Matth. 2:16)  Let nu op wat Mattheus vervolgens zegt: “Toen is vervuld geworden, hetgeen gesproken is door den profeet Jeremia, zeggende: Een stem is in Rama gehoord, geklag, geween en veel gekerm; Rachel beweende haar kinderen, en wilde niet vertroost wezen, omdat zij niet zijn!” (Matth. 2:17-18)

Maar Rama, en Mattheus was hier ongetwijfeld van op de hoogte, ligt zelfs niet in de buurt van Bethlehem.  Het ligt zelfs niet in Judea, maar het ligt in Efraim . Bethlehem ligt ten zuiden en ten westen van Jeruzalem, Rama ligt vele kilometers ver weg, ten noorden en oosten van Jeruzalem.

En tevens, Juda was geen kind van Rachel, maar een kind van Lea. Dit alles is welbekend voor Mattheus, maar ook hier weer, ZONDER VERDERE UITLEG, citeerd hij de Schrift uit Jeremia 31:15 en past dit toe op de gebeurtenis in en rond Bethlehem in de tijd van Christus.

Markus gebruikt dezelfde regel van Schriftuurlijke exegeses in de eerste drie verzen van zijn evangelie. “Gelijk geschreven is in de profeten: Ziet, Ik zend Mijn engel voor Uw aangezicht, die Uw weg voor U heen bereiden zal. De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt Zijn paden recht.” (Markus 1: 2-3)

Deze verklaring van Markus aangaande Johannes de Doper zijn feitelijk twee verschillende profeten die apart van elkaar, en met vele jaren ertussen, geprofeteerd hebben. Vers 2 komt uit Maleachi 3:1 en Markus citeert maar de helft van vers 1. Laten we de context bekijken en doorgaan waar Markus stopt: “…en snellijk zal tot Zijn tempel komen die Heere, DIEN GIJLIEDEN ZOEKT, te weten de Engel des verbonds, AAN DENWELKEN GIJ LUST HEBT; ziet, Hij komt, zegt de HEERE der heirscharen. Maar wie zal den dag Zijner toekomst verdragen, en wie zal bestaan, als Hij verschijnt? Want Hij zal zijn als het vuur van een goudsmid, en als zeep der vollers. En Hij zal zitten, louterende, en het zilver reinigende, en Hij zal de kinderen van Levi reinigen, en Hij zal ze doorlouteren als goud, en als zilver;”

Niets hiervan wijst de natuurlijke geest op de komst van Christus in het vlees nadat “de zonen van Levi” de priesters, Christus gekruisigd hadden (Het Markus Evangelie is geschreven ergens rond het jaar 65 na Christus, dus ongeveer 32 jaar na Christus kruisiging en opstanding) Toch worden wij door de Heilige Geest verteld dat de eerste helft van vers 1 refereert aan Johannes de Doper. En ook weer heel belangrijk, Markus maakt zich totaal niet druk om zichzelf te verklaren, Hij past, net als Mattheus, Schriftgedeelten toe op Christus waarvan de moderne theologie zegt dat ze uit hun context getrokken zijn.

Lees het tweede deel van de verklaring van Markus. Markus, samen met alle andere schrijvers van het Nieuwe Testament, praktiseerde klaarblijkelijk wat vandaag de dag wordt bekritiseerd als zijnde “proof texting” waarbij ze alleen het gedeelte nemen wat hun statement onderbouwt en waarbij de context genegeerd wordt.

Laten we kijken hoe Markus 1:3 eruit ziet wanneer we het in context lezen. Dit is een citaat van Jesaja 40:3. Lees het met het vers ervoor en een paar verzen erachteraan, en vraag je dan af of je,met de hedendaagse “context, context, context” doctrine van Bijbelse interpretatie, ooit had kunnen raden dat dit een profetie was aangaande Johannes de Doper.: “Spreekt naar het hart van Jeruzalem, en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand des HEEREN dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden.” Een stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des HEEREN, maakt recht in de wildernis een baan voor onzen God! Alle dalen zullen verhoogd worden, en alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden; en wat krom is, dat zal recht, en wat hobbelachtig is, dat zal tot een vallei gemaakt worden. En de heerlijkheid des HEEREN zal geopenbaard worden; en alle vlees te gelijk zal zien, dat het de mond des HEEREN gesproken heeft.” (Jesaja 40: 2-5)

Was de heerlijkheid des HEEREN geopenbaard ? Heeft “alle vlees…tegelijk gezien” ? En toch worden we geïnformeerd, ZONDER VERDERE VERKLARING, dat dit refereert aan Johannes de Doper.

Lucas citeert dezelfde Schrift en trekt dezelfde conclusie, en weer, zonder enige uitleg of verontschuldiging. Het lijkt erop dat er een algemeen begrepen principe werd toegepast waar we vandaag de dag klaarblijkelijk hopeloos onwetend over zijn.

Benaderd de apostel Johannes de Heilige Schrift op dezelfde manier ? Inderdaad, dat doet hij. (Joh. 1:23) Alle vier de Evangeliën citeren dezelfde Schrift en trekken dezelfde conclusie met dezelfde “je ziet wat ik bedoel” houding. (Matth. 3:3; Markus 1:3; Lucas 3:4; Joh. 1:23)

Hermeneutiek – Het uitleggen van de Heilige Schrift

Het woord hermeneutiek is een algemeen gebruikt woord onder theologie studenten en in seminars, maar veel mensen hebben geen idee wat het betekend. Een goede omschrijving zou zijn: De studie en toepassing van de methodologische beginselen van het interpreteren en uitleggen; in het bijzonder het algemene beginsel van bijbelse interpretaties.

Voor we de hermeneutiek van de apostel Paulus gaan onderzoeken, gaan we nog één Schriftgedeelte onderzoeken die door Johannes op Christus toegepast wordt. Het is een citaat uit Psalm 69.

Christus heeft net de dieren en de geldwisselaars uit de tempel verjaagt. “En Hij zeide tot degenen, die de duiven verkochten: Neemt deze dingen van hier weg; maakt niet het huis Mijns Vaders tot een huis van koophandel. En Zijn discipelen werden indachtig, dat er geschreven is: De ijver van Uw huis heeft mij verslonden.” (Joh. 2:16-17)

De aanhef zegt dat dit een Psalm van David is. In vers 5, belijd David: “O God! Gij weet van mijn dwaasheid, en mijn schulden zijn voor U niet verborgen.” Het gaat hier in de context zeer duidelijk niet over onze zondeloze Zaligmaker."  David gaat verder, vers 6 en 7: “Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere, HEERE der heirscharen, laat hen door mij niet te schande worden, die U zoeken, o God Israels! Want om Uwentwil draag ik versmaadheid; schande heeft mijn aangezicht bedekt.” Vers 8: “Ik ben mijn broederen vreemd geworden, en onbekend aan mijner moeders kinderen.” En dan vers 9: “Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen.”

Als we de hedendaagse context hermeneutiek zouden toepassen, dan heeft het er toch alle schijn van dat Johannes deze statement, waar David over zichzelf spreekt, compleet uit zijn context rukt, en het op Christus toepast.

Wat aangaande Paulus ?

Laten we de apostel Paulus is nader bekijken. Paste hij dit principe van “vergeestelijken” toe ? Dat deed hij zeker. Om hem even uit de context te citeren, hij deed het “overvloediger dan zij allen” (1 Kor. 15:10). Het is een algemene gedachte in de christelijke kerken en seminars dat Gods uitverkoren volk vandaag de afstammelingen van Abraham zijn, door Izaak en Jacob. Gen. 12:1-3 is de eerste Schrift waar Gods verbond met Abraham, wiens naam op dat betreffende moment nog steeds Abram is. Verse 1 zegt: “De HEERE nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land, en uit uw maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal.” (vers 2) “En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen!” (vers 3) “En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden.”

Merk de “had gezegd” op in vers 1. Dit refereert terug naar de keer dat God voor het eerst met Abram sprak, toen Abram nog steeds in Ur der Chaldeeën was. Hoofdstuk 15:7  zegt: “Ik ben de HEERE, Die u uitgeleid heb (niet zijn vader Terah) uit Ur der Chaldeeën, om u dit land te geven, om dat erfelijk te bezitten.”

Het verbond wat God in eerste instantie met Abram had, toen hij nog in Ur was, was erg algemeen en nogal vaag, als het gaat om wat Abram krijgen zou van God. Wat hij echter doen moest was duidelijk genoeg:

Ga weg uit je land.

Ga bij je familie weg.

Ga naar een land dat Ik je wijzen zal.

Wat werd hem precies beloofd ?

Ik zal je een groot volk maken.

Ik zal je zegenen en je naam groot maken.

Ik zal je tot een zegen stellen.

In lijn met, en als resultaat van deze drie beloften aan Abram, zegt God “En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden.” (Gen 12:3)

Vers 4 verteld ons dat Abram nog in Haran was, en dat hij uit Haran vertrok toen hij 75 jaar oud was. Vers 5 verteld ons dat hij zijn vrouw Sarai en zijn neef Lot meenam, “en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaan, en zij kwamen in het land Kanaan.” Vers 6 verteld ons dat zij het land doortrokken, en dat de Kanaanieten toen der tijd in dat land leefden. Op dit moment voegt de HEERE meer detail toe aan het verbond wat Hij met Abram heeft. “Zo verscheen de HEERE aan Abram, en zeide: Aan uw zaad zal Ik dit land geven….” (Gen 12:7) Het land Kanaan.

De eerstvolgende keer dat het verbond met Abram ter sprake komt is in hoofdstuk 13:14 –

“En de HEERE zeide tot Abram, nadat Lot van hem gescheiden was: Hef uw ogen op, en zie van de plaats, waar gij zijt noordwaarts en zuidwaarts, en oostwaarts en westwaarts. Want al dit land, dat gij ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid. En Ik zal uw zaad stellen als het stof der aarde, zodat, indien iemand het stof der aarde zal kunnen tellen, zal ook uw zaad geteld worden. Maak u op, wandel door dit land, in zijn lengte en in zijn breedte; want Ik zal het u geven.” (Gen 13: 14-17)

De belofte is nu wat aangepast:

In plaats van de belofte om Abram tot een groot volk te maken, word hem nu verteld “Ik zal uw zaad stellen als het stof der aarde….”

In plaats van "naar een land dat Ik u zal wijzen", wordt hem nu verteld "Want al dit land wat gij ziet, zal ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid." ( olam, Strongs H5769)  ."

Maar de meest specifieke beschrijving die Abram van het land krijgt staat in hoofdstuk 15:18 – “Ten zelfden dage maakte de HEERE een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Eufraat:”

In hoofdstuk 17 wordt hem verteld: “Mij aangaande, zie, Mijn verbond is met u; en gij zult tot een vader van menigte der volken worden! En uw naam zal niet meer genoemd worden Abram; maar uw naam zal wezen Abraham; want Ik heb u gesteld tot een vader van menigte der volken. En Ik zal u gans zeer vruchtbaar maken, en Ik zal u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen.” (Gen. 17: 4-6)

Hier wordt Abrams naam verandert in Abraham, wat betekend “een vader van vele volken”

De laatste keer dat het verbond met Abraham ter sprake wordt gebracht is in Gen. 22 – “En Abraham strekte zijn hand uit, en nam het mes om zijn zoon te slachten.” Abraham toonde hier aan God dat niets een afgod kon worden tussen hem en zijn God, zelfs niet zijn eigen zoon. (Gen 22: 10-13) Dan zegt God tegen Abraham “..Ik zweer bij Mijzelven, spreekt de HEERE; daarom dat gij deze zaak gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt;  Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren des hemels, en als het zand, dat aan den oever der zee is; en uw zaad zal de poort zijner vijanden erfelijk bezitten. En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde, naardien gij Mijn stem gehoorzaam geweest zijt.” (Gen 22: 16-18)

Hier hebben we de belofte in zijn uiteidelijke vorm:

Abraham zal het land Kanaan beerven, van de rivier van Egypte tot de rivier de Eufraat.

Zijn zaad zal zijn “als het stof der aarde” "als het zand der zee" en "als de sterren aan de hemel"

"Uw zaad zal de poort van uw vijanden erfelijk bezitten."

"In uw zaad zullen al de volken op aarde gezegend worden."

“Uw zaad” betekend dat deze beloften over gingen naar Izaak, en van Izaak naar Jacob. Dit zijn de “beloftenissen der vaderen” waar Paulus aan refereert in Romeinen 15:8 en Galaten 3:29

Wat betekenen de beloften voor Paulus ? Betekenen ze, zoals ons vandaag de dag verteld wordt: Abrahams zaad met betrekking tot de fysieke afstammelingen zullen het moderne Israel beërven, en wij zullen gezegend worden als we ze steunen, en vervloekt als we dat niet doen ?

Nee, de boodschap die vandaag de dag over het algemeen onderwezen wordt aangaande Israel heeft niets te maken met de ware boodschap van Paulus. Paulus heeft, net als Mattheus, Markus, Lukas, Johannes, Petrus en Jakobus een principe van Schriftuurlijke interpretatie die het christendom, als een geheel, niet bevat.

Wat betekende de belofte “In uw zaad zullen alle volken op de aarde gezegend worden” voor Paulus ? Hij verteld het ons in Galaten 3  “En de Schrift, te voren ziende, dat God de heidenen uit het geloof zou rechtvaardigen, heeft te voren aan Abraham het Evangelie verkondigd, zeggende: In u zullen al de volken gezegend worden. Zo dan, die uit het geloof zijn, worden gezegend met den gelovigen Abraham.” (Gal. 3: 8-9)

Voor Paulus had de belofte “In uw zaad zullen alle volken op de aarde gezegend worden” (Gen. 22:18) niets te maken met fysieke afstamming. Paulus nam dit als een statement aangaande een geestelijk principe, het principe van geloof in het Woord van God. Voor Paulus was het “uw zaad” van Gen 22:18 diegenen die van Christus zijn. “En indien gij van Christus zijt, zo zijt gij dan Abrahams zaad, en naar de beloftenis erfgenamen.” (Gal. 3:29)

“Erfgenamen naar de beloften” ? Zegt Paulus hier dat de heidenen die tot Christus gebracht worden Kanaan, “van de  rivier van Egypte, tot de grote rivier, de rivier de Eufraat” zullen beërven ? Inderdaad…, dat zegt hij ! Zie Romeinen 4:13 “Want de belofte is niet door de wet aan Abraham of zijn zaad geschied, namelijk, dat hij een erfgenaam der wereld zou zijn, maar door de rechtvaardigheid des geloofs.”

Erfgenaam der wereld ? Waar heeft Paulus dat vandaan ? Wat is er gebeurt met “van de rivier van Egypte tot de rivier de Eufraat ?

Voor Paulus waren de beloften primair en in volheid geestelijk en hebben niets van doen met de fysieke omgeving. De beloften hadden zeker niets van doen met Abrahams fysieke zaad en afstammelingen.

“….. want die zijn niet allen Israel, die uit Israel zijn. Noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij allen kinderen; maar: In Izaak zal u het zaad genoemd worden.” (Rom 9:6-7)

Wat betekend “in Izaak”? Betekend dit dat het hier gaat over de fysieke afstammelingen van Abraham die daarom recht hebben op de belofte ?

Als dat waar is, dan zeg je feitelijk dat de belofte jou niet toebehoort, de aanneming (volwassen worden in het geloof) is op jou dan naar je eigen woorden niet op je van toepassing. In plaats daarvan zeg je dat de aanneming en de belofte toebehoort aan diegenen die, door de letter, genoemd worden “Gods uitverkoren volk”, maar die door Paulus “de zoon der dienstmaagd” wordt genoemd en waarvan Paulus zegt dat de zoon der dienstmaagd “geenszins zal erven met de zoon der vrije” (Gal 4:30)

Als we geloven dat “Israel naar het vlees” nog steeds “Gods uitverkoren volk is”, dan geloven we dat de zoon van de dienstmaagd (Jeruzalem, dat nu is, en dienstbaar is met haar kinderen.) wel erfgenaam is samen met de zoon van de vrije. Het is Hagar, de dienstmaagd welke overeenkomt met Jeruzalem, dat nu is, en dienstbaar is met haar kinderen. Gal 4:25. Paulus zegt niet dat de andere Joodse apostelen of Joden die de leer van Christus geloofden en die in Jeruzalem waren dienstbaar waren. Paulus zegt dat die “van Israel zijn” of fysiek “van Abraham” zijn niet bedoelt worden met “het zaad van Abraham” of met “erfgenamen naar de belofte”

Wie zijn het dan die door God “voor het zaad” gerekend worden en welke “erfgenamen naar de belofte” zijn ? Laten we teruggaan naar Romeinen 9:7 “……In Izaak zal u het zaad genoemd worden. Dat is, niet de kinderen des vleses, die zijn kinderen Gods; maar de kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend.” (Rom 9: 7-8)

Wie zijn dan deze “erfgenamen”, deze “kinderen naar de belofte” ? We hoeven daar niet over te speculeren. “En indien gij van Christus zijt, zo zijt gij dan Abrahams zaad, en naar de beloftenis erfgenamen.” (Gal 3:29)

Dit komt overeen met wat Christus zegt in Joh. 8:37 – “Ik weet, dat gij Abrahams zaad zijt: maar…” en dan in vers 39 “…Indien gij Abrahams kinderen waart, zo zoudt gij de werken van Abraham doen.” En verder in vers 44 “Gij zijt uit den vader den duivel…..”  Tegen wie zegt Christus dit ? Tegen wie zegt Christus "Gij zijt uit den vader den duivel…..”  Het schokkende antwoord staat in Joh. 8:31 "Jezus dan zeide tot de Joden, die in Hem geloofden...." [Heel veel vertalingen vertalen niet den vader, maar uw vader] Christus zegt dat ze Abrahams zaad zijn in vers 37, en zegt dat ze het niet zijn in vers 39. Kinderen naar het vlees, ja .. Kinderen naar de belofte, neen. Paulus zegt dit in Romeinen 9:6 – “….want die zijn niet allen Israel (geestelijk, naar de belofte), die uit Israel (natuurlijk, naar het vlees) zijn.”

Zie hoe ver Paulus de geestelijke benadering van de Heilige Schrift doortrekt in Romeinen 9:2 en 3 – “Dat het mij een grote droefheid, en mijn hart een gedurige smart is. Want ik zou zelf wel wensen verbannen te zijn van Christus, voor mijn broederen, die mijn maagschap zijn naar het vlees;” Klinkt dit niet precies hetzelfde als Abraham wanneer hem verteld wordt dat zijn zoon, “naar het vlees” niet voor het zaad gerekend wordt. Zijn directe reactie was hetzelfde als die van Paulus en van velen van ons. “…Och, dat Ismael (Het Jeruzalem dat nu is, het vlees) mocht leven voor Uw aangezicht!” (Gen 17:18 – Gal 4: 25-30).

Als we doorgaan in Romeinen 9:4 “Welke Israelieten zijn, welker is de aanneming tot kinderen, en de heerlijkheid, en de verbonden, en de wetgeving, en de dienst van God, en de beloftenissen;”

De aannemeing en de belofte “behoren Israel” maar het Israel “naar het vlees” is “de zoon van de dienstmaagd” (Gal 4:30) en kan geen erfgenaam zijn met de zoon van de vrije. Aan wie behoort volgens God de adoptie toe? Rom 8:14 "Want zovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods" (het zaad van Abraham). Rom 8:15  "Want gij (Romeinse heidenen) hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Vader!" Gal 4:5  "….opdat wij (Galatische heidenen) de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden." Eph 1:5  "Die ons (Efezische heidenen) te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zich zelven, naar het welbehagen van Zijn wil".

Wie worden er dan door Paulus “Welke Israelieten zijn, welker is de aanneming tot kinderen, en de heerlijkheid, en de verbonden, en de wetgeving, en de dienst van God, en de beloftenissen;” genoemd ? Wie zijn dit ?

Daar blijkt dat Galaten 4 voor velen teveel is om te bevatten, laten we kijken naar wat Efeze 2 ons leert. “Daarom gedenkt, dat gij, die eertijds (eertijds, dus op dit moment niet meer) heidenen waart in het vlees, en die voorhuid genaamd werdt van degenen, die genaamd zijn besnijdenis in het vlees, die met handen geschiedt; Dat gij in dien tijd (in het verleden) waart zonder Christus, vervreemd (in het verleden) van het burgerschap Israels, en vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld. Maar nu in Christus Jezus, zijt gij, die eertijds (in het verleden) verre waart, nabij geworden door het bloed van Christus." (Efe 2: 11-13)

En hoe nabij is nabij ?

"Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers (met Israel) der heiligen, en huisgenoten Gods;" (Efe 2:19)

Paulus heeft ons geopenbaard dat in Gods ogen het Israel naar het vlees is vervangen door het Israel naar de Geest. Hij gaat verder in Efe 3:2-3 "Indien gij maar gehoord hebt van de bedeling der genade Gods, die mij gegeven is voor u; Dat Hij mij door openbaring heeft bekend gemaakt deze verborgenheid,…"

Is dit misschien een buiten Schriftuurlijke openbaring waar Paulus het hier over heeft ? Zeker niet. Staande voor Agrippa in Hand. 2:22-23 verklaart hij duidelijk dat hij spreekt, niets zeggende buiten hetgeen de profeten en Mozes gesproken hebben, dat geschieden zoude; Namelijk dat de Christus lijden moest, en dat Hij, de Eerste uit de opstanding der doden zijnde, een licht zou verkondigen dezen volke, en den heidenen.

Twee hoofdstukken later, sprekend tot de Joden in Rome “…denwelken hij het Koninkrijk Gods uitlegde, en betuigde, en poogde hen te bewegen tot het geloof in Jezus, beide uit de wet van Mozes en de profeten, van des morgens vroeg tot den avond toe. (Hand 28:23) De Joden wezen het Evangelie af, waarna Paulus hen hetvolgende verklaarde. “Het zij u dan bekend, dat de zaligheid Gods (welker is de aanneming tot kinderen, en de heerlijkheid, en de verbonden, en de wetgeving, en de dienst van God, en de beloftenissen; (Romeinen 9:4)) den heidenen gezonden is, en dezelve zullen horen.” (Hand 28:28)

Als we doorgaan met Efeze 3:3 – “Dat Hij mij door openbaring heeft bekend gemaakt deze verborgenheid… (vers 5) Welke in andere eeuwen den kinderen der mensen niet is bekend gemaakt, gelijk zij nu is geopenbaard aan Zijn heilige apostelen en profeten (Paulus zegt hier dat de apostelen overeenstemden met Paulus), door den Geest;”  Wat is deze verborgenheid..dit geheim, wat aan Paulus en de apostelen bekend gemaakt is ? “Namelijk dat de heidenen zijn mede-erfgenamen, EN VAN HETZELFDE LICHAAM, en mededeelgenoten Zijner belofte (Geen verschillende beloften) in Christus, door het Evangelie;”  (Efeze 3:6)

Geen Jood versus Heiden, Geen lichaam versus bruid, Geen hemel versus aarde erfenis, maar “mede erfgenamen” - "En ALLEN te verlichten, dat zij mogen verstaan, welke de gemeenschap der verborgenheid zij, die van alle eeuwen verborgen is geweest in God, Welke alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus;” (Efeze 3:9)

Enige twijfel over de eenheid in het lichaam van Christus zou verdwenen moeten zijn door deze duidelijke taal van Paulus over wat een Israëliet inhoud. Er zijn echter mensen die ondanks deze verklaringen van Paulus geloven dat er een “lichaam” is welke uit gelovige heidenen bestaat en een “bruid” welke uit gelovige joden bestaat. “Je kunt niet tegelijk lichaam en bruid zijn” is de stelling.

Equivalent aan deze overtuiging is te zeggen dat we niet beiden een boom (wat we zijn – Rom 11:24) en een tempel (wat we zijn – 1 Kor 6:19) kunnen zijn. Paulus noemt ons, heidense gelovigen, beiden een lichaam en een bruid. In Romeinen 12:5 – “Alzo zijn wij velen een lichaam in Christus…” In 2 Kor 11:2 – “want ik heb ulieden toebereid, om u als een reine maagd aan een man voor te stellen, namelijk aan Christus. Kan iemand een reine maagd, voorgesteld aan haar man zijn en een zoon ? “En overmits gij zonen [Gr #G5207 – uihos]  zijt …”  (Gal 4:6)

Ja, God geeft ons, Zijn zonen, veel verschillende en soms voor het oog tegenstrijdige omschrijvingen. We zijn zonen en maagden, we zijn bomen en tempels, we zijn stenen en lichten, we zijn strijders en schapen, etc…etc.

Paulus eindigt de brief aan de Galaten met deze samenvattende verklaring. “Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis (Een natuurlijke Jood) enige kracht, noch voorhuid (Een natuurlijke heiden), maar een nieuw schepsel. En zovelen als er naar dezen regel (van vers 15) zullen wandelen, over dezelve zal zijn vrede en barmhartigheid, en over het Israel Gods.” (Galaten 6:15-16)

Wie is een Jood naar Nieuw Testamentische maatstaven ?

Het is een vreemd fenomeen dat zovelen de woorden “het Israel Gods” lezen in vers 16, en onmiddellijk “dezen regel” in vers 15 vergeten zijn. Ze refereren meteen terug naar het vlees en naar de letter, vergetende de waarheid die God geopenbaart heeft. “En zal de voorhuid, die uit de natuur is, als zij de wet volbrengt, u niet oordelen, die door de letter en besnijdenis (Zij die de moderne Joden nog als Gods uitverkoren volk en het zaad van Abraham rekenen) een overtreder der wet zijt? Want die is niet een Jood, die het in het openbaar (uitwendig) is; noch die is de besnijdenis, die het in het openbaar in het vlees is; Maar die is een Jood, die het in het verborgen (inwendig)  is, en de besnijdenis des harten, in den geest, niet in de letter, is de besnijdenis; wiens lof niet is uit de mensen, maar uit God.” (Rom 2:27-29)

Wat is dan schriftuurlijke besnijdenis ? “Want wij zijn de besnijding, wij, die God in den Geest dienen, en in Christus Jezus roemen, en niet in het vlees betrouwen.” (Fillip 3:3) Wij heidenen, welke in Christus zijn, zijn “de besnijding” Wij zijn Gods verkozen volk. Er is niet zoiets als verkozen versus uitverkoren, of uitverkoren versus speciaal uitverkoren…er zijn geen twee verschillende uitverkiezingen. Er zijn maar weinig mensen die zich realiseren dat verkozen en uitverkoren hetzelfde zijn in het originele Grieks. Het Griekse woord is eklectos; Strongs# 1588.

Daar we het “Israel van God” zijn, en we zijn beide de bruid en het lichaam, zullen we dan beide in hemel en op aarde regeren ? Schriftuurlijk is dat precies wat de apostel Paulus zegt in 1 Kor 6: 2-3 “Weet gij niet, dat de heiligen de wereld oordelen zullen? ….. Weet gij niet, dat wij de engelen oordelen zullen …..?”

Paul zegt ons dat God “… ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaars des Nieuwen Testaments, niet der letter, maar des Geestes; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.” (2 Kor 3:6) Paulus wijst ons hier specifiek op het punt dat het Nieuwe Verbond (Gr. #1242 – zelfde woord als voor Testament) NIET NAAR DE LETTER IS, maar naar de geest. Er zijn er die zeggen dat dit niet het Nieuwe Verbond is waar in Jeremia naar verwezen wordt. “Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israel en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken; Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de HEERE; Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israel maken zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn……” (Jer 31: 31-34)

Het blijkt dat sommigen nog steeds denken dat dit niet hetzelfde nieuwe verbond is waar Paulus aan refereert in 2 Kor 3:6. Blijkbaar hebben ze niet opgemerkt dat de Efezische heidenen “…niet meer vreemdelingen en bijwoners…” zijn (Efe 2:19); dat de heidense Efeziers niet langer “….vervreemd van het burgerschap Israëls….” zijn, niet langer “vreemdelingen van de verbonden der belofte”. (Efe 2:12)

Als dit een Nieuw Verbond is wat betrekking heeft op de heidense Korintiers en Efeziers, maar dat het niet verbonden is met het Nieuwe Verbond wat vermeld wordt in Jeremia 31:31-34, dan moeten we concluderen dat God een oud verbond had met deze heidenen. Het mag duidelijk zijn dat dit niet is wat Paulus bedoeld. Paulus refereert naar het enige Nieuwe Verbond wat in de Schriften gemeld wordt (Jeremia 31:31)

Terugkerende naar 2 Kor 3:6, het volgende vers, na het noemen van het Nieuwe Verbond, refereert naar het Oude Verbond en noemt het “de bediening des doods” (2 Kor 3:7) [de letter doodt – vers 6]  “in stenen ingedrukt, in heerlijkheid is geweest, alzo dat de kinderen Israels het aangezicht van Mozes niet konden sterk aanzien, om de heerlijkheid zijns aangezichts, die te niet gedaan zou worden. Hoe zal niet veel meer de bediening des Geestes (Het Nieuwe Verbond, niet naar de letter, maar naar de geest – vers 6) in heerlijkheid zijn?” (2 Kor 3:7-8)

Er zijn vele andere plaatsen in de Schriften die Paulus door God geïnspireerd geschreven heeft die we kunnen aanhalen om te laten zien hoe Paulus “uit de context” Schriftuur geestelijk gebruikt. Maar laten we doorgaan naar Jakobus om te zien of hij hetzelfde doet.

Jakobus en de “Tabernakel van David”

Handelingen staat ook wel bekend als het Jeruzalem conferentie hoofdstuk. Er waren gelovigen uit het gebied Judea die aan de discipelen uit de heidenen leerden dat ze niet gered konden worden tenzij ze het uitwendige teken van besnijdenis ondergingen en zich aan de wet van Mozes zouden houden (Handelingen 15:5).  Het blijkt dat er een bepaalde vrijheid van denken en uitten was, want vers 7 zegt dat er veel twisting was over dit punt (twisting is een woordkeus in de statenvertaling waar andere vertalingen discussie en redeneren als vertaling hebben.  Het grondwoord is G4803 # suzetesis en betekend discussie, redeneren, argumenteren. Er worden in sommige vertalingen ook  woorden als vraagteken en debat gebruikt. Twist neigt naar ruzie, en dat hoeft helemaal niet het geval te zijn geweest)

Uiteindelijk staat Petrus op en geeft een diepgaande verklaring; een verklaring die hij later na zou moeten leven (Gal 2:11). (Hand 15:8) “God….., (vers 9) heeft geen onderscheid gemaakt tussen ons (Joden) en hen (Heidenen), gereinigd hebbende hun harten door het geloof. (Vers 10) Nu dan, wat verzoekt gij God, om een juk op den hals der discipelen te leggen, hetwelk noch onze vaders, NOCH WIJ hebben kunnen dragen? (vers 11) Maar wij (de apostelen) geloven, door de genade van den Heere Jezus Christus, zalig te worden, op zulke wijze ALS OOK ZIJ.”

Nu komen we bij Jakobus, ook wel de “apostel voor de besnedenen (speciaal voor de Joden)” genoemd. Is Jakobus het eens dat er “geen onderscheid” is over hoe een heiden en een Jood gered worden ?

Hand. 15:13 – “…antwoordde Jakobus, zeggende: Mannen broeders, hoort mij:… (vers 15) En hiermede STEMMEN OVEREEN de woorden der profeten, gelijk geschreven is: (VERS 16) Na dezen zal Ik wederkeren, en weder opbouwen de tabernakel van David, die vervallen is, en hetgeen daarvan verbroken is, weder opbouwen, en Ik zal denzelven weder oprichten. (vers 17) Opdat de overblijvende mensen den Heere zoeken, en al de heidenen, over welken Mijn Naam aangeroepen is, spreekt de Heere, Die dit alles doet.”

Waarom zouden de heidenen het nodig hebben dat de tempel van David herbouwt wordt om “de Heere te zoeken” ? Op een of andere manier stelt Jakobus “hetgeen daarvan verbroken is, weder opbouwen” gelijk aan de roeping van de heidenen.

Jakobus citeert hier Amos 9. Laten we de context van Amos 9:9 bezien en kijken of Jakobus iets heeft met de moderne context-context-context theologie. "Want ziet, Ik geef bevel, en Ik zal het huis Israels onder al de heidenen schudden, gelijk als zaad geschud wordt in een zeef; en niet een steentje zal er ter aarde vallen. Alle zondaars Mijns volks zullen door het zwaard sterven; die daar zeggen: Het kwaad zal tot ons niet genaken, noch ons voorkomen. Te dien dage (de dagen van vers 10) zal Ik de vervallen tabernakel van David weder oprichten, en Ik zal haar reten vertuinen (reten vertuinen ????. Hier staat in de grondtekst dat God de breuken in de muren zal herstellen, dicht zal maken), en wat aan haar is afgebroken, weder oprichten, en zal ze bouwen, als in de dagen van ouds; Opdat zij erfelijk bezitten het overblijfsel van Edom, en al de heidenen, die naar Mijn Naam genoemd worden, spreekt de HEERE, Die dit doet. (Amos 9: 9-12)

Als we deze passage in Amos lezen, zegt de context dat Davids troon hersteld zal worden als “in de dagen van ouds” (vers 11). De troon van David is niet ouder dan David en Salomo, toen alle twaalf stammen nog onder “de tabernakel van David” waren. (vers 12) Opdat zij (zij van Davids huis of tabernakel) erfelijk bezitten….de heidenen, die naar mijn naam genoemd worden…”.

Lijken deze woorden op een profetie van de roeping van de heidenen in de tijd van Handelingen 15 ? Was Davids troon of tabernakel weer opgericht ? En, hier weer, alsof iedereen die present was toen Jakobus deze geïnspireerde woorden sprak, precies begreep wat er bedoelt werd (niet wat gezegd werd), en Jakobus, net als alle andere apostelen, geen enkele moeite nam om zich te verontschuldigen of zichzelf uit te leggen waar hij naartoe wilde.

Twijfelt er iemand dat “de tabernakel van David” waar de heidenen, “die naar Zijn naam genoemd worden” Christus is, die de troon of tabernakel van David geërfd heeft ?

Als, zoals sommigen zeggen, fysieke Israëlieten terug zullen keren naar hun voormalige uitnemendheid, dan was deze Schriftuur beter geplaatst op de dag van de uitstorting van Gods Geest, toen alle die present waren van geboorte Israëlieten waren. Maar ook toen was er geen weder opgerichte tabernakel van David. De Heilige Geest heeft het echter in Handelingen 15 laten optekenen, in verband met de roeping van de heidenen, “Opdat de overblijvende mensen den Heere zoeken, en al de heidenen, over welken Mijn Naam aangeroepen is, spreekt de Heere, Die dit alles doet.” Jacobus is in overeenstemming met Petrus (vers 15) dat besnijdenis en de wet van Mozes  “.. een juk op den hals der (heidense) discipelen te leggen, hetwelk noch onze vaders, NOCH WIJ hebben kunnen dragen? (vers 10)

Zij wandelden niet recht naar de waarheid van het Evangelie

Deze waarheid moet behoorlijk moeilijk zijn geweest voor de twaalf originele apostelen. Er zal wat geestelijke strijd geweest zijn voor ze de werkwijze van God konden begrijpen en accepteren. De beproeving van Petrus met dit gedeelte van Gods werkwijze worden voor ons opgesomd in Handelingen 10, waar Cornelius wordt geroepen en nogmaals in Galaten 2, waar beiden Petrus en Barnabas strijdt hebben met het de manier waarop God werkt.  “Want eer sommigen van Jakobus gekomen waren, at hij (Petrus) mede met de heidenen (Zoals hij ook gedaan had bij Cornelius) ; maar toen zij gekomen waren, onttrok hij zich en scheidde zichzelven af, vrezende degenen, die uit de besnijdenis waren. En ook de andere Joden veinsden met hem; alzo dat ook Barnabas mede afgetrokken werd door hun veinzing. Maar als ik zag, dat zij niet recht wandelden naar de waarheid van het Evangelie, zeide ik tot Petrus in aller tegenwoordigheid: Indien gij, die een Jood zijt, naar heidense wijze leeft, en niet naar Joodse wijze, waarom noodzaakt gij de heidenen naar de Joodse wijze te leven?”  (Gal 2:12-14)

Deze situatie verdient nauwkeurig onderzoek. Waarom confronteerde Paulus Petrus ? Was het werkelijk omdat Petrus de fout maakte om te proberen twee bedieningen te mixen ? Als dit zijn zonde was, dan heeft Paulus hier een goede kans gemist om dit duidelijk te maken. Echter, Paulus wacht tot “sommigen van Jakobus gekomen waren” om deze veronderstelde zonde van het mixen van bediening te adresseren…..

Zo een suggestie is natuurlijk absurd. De zonde van Petrus was niet het “mixen van bedieningen” maar “veinzerij” Veinzen komt van het Griekse woord ‘hupokrisis’ (Strongs #5272) Dit woord komt van hupo-krinomai (Strongs #5271) wat vertaald wordt met veinzen in Lukas 20:20, waar de hogepriesters en schriftgeleerden “… en zonden verspieders uit, die zichzelven veinsden rechtvaardig te zijn; ….”

De reden dat Paulus gewacht heeft tot “sommigen van Jakobus gekomen waren” om Petrus te berispen was omdat Petrus voor die tijd geen berisping nodig had. Strongs defenitie van veinzen is “het hypocriet handelen in overleg met” Dit is wat Paulus bedoelde met “Zij wandelden niet recht naar de waarheid van het Evangelie” Petrus was niet “U benaarstigende te behouden de enigheid des Geestes door den band des vredes.” (Efe 4:3). Hij was vergeten dat “Een lichaam is het, en een Geest, gelijkerwijs gij ook geroepen zijt tot een hoop uwer roeping;” (Efe 4:4) en dat er is “Een Heere, een geloof, een doop,” (Efe 4:5)

Besnijdenis versus voorhuid

Had Paulus niet ingestemd met Petrus dat Petrus naar de Joden zou gaan en Paulus naar de heidenen ? Dat had hij zeker. Maar wat betekende dat ?

Betekende het dat Paulus één Evangelie had, een “Evangelie voor de heidenen” terwijl Petrus een ander Evangelie had, een “Evangelie voor de Joden” ? Het is hier, in dit hoofdstuk, dat Petrus door Paulus berispt wordt voor het “niet recht wandelen naar de waarheid van het Evangelie” Paulus kent alleen het Evangelie. In het Evangelie is er geen ruimte voor een gedeelte van het lichaam om zich af te zonderen of boven te stellen aan de rest van het lichaam van Christus. “En opdat Hij die beiden met God in één lichaam zou verzoenen door het kruis…” (Efe 2:16) Het woord “beiden” refereert terug aan de “heidenen in het vlees” en de “besnijdenis in het vlees” van Efeze 2:11 “Daarom gedenkt, dat gij, die eertijds heidenen waart in het vlees, en die voorhuid genaamd werdt van degenen, die genaamd zijn besnijdenis in het vlees, die met handen geschiedt;” De heidenen naar het vlees en de besnijdenis naar het vlees zijn één lichaam, en hebben beiden het Evangelie.

1 Kor 12 is het hoofdstuk waar vermeld wordt dat er “…is verscheidenheid der bedieningen, en het is dezelfde Heere;” (1 Kor 12:5)  Wat vergeten wordt is dat het onderwerp van dit hoofdstuk gaat over “de geestelijke gaven” (1 Kor 12:1) en de conclusie die Paulus ons geeft is “Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt; hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot één Geest gedrenkt.” (1 Kor 12:13)

“verscheidenheid in bediening” gaat over “geestelijke gaven” binnen “één lichaam”.

Als dit niet het geval zou zijn, dan was Petrus rechtvaardig geweest om zich af te scheiden van de heidenen, en had wat dat aangaat in eerste instantie niet met de heidenen aan een tafel moeten gaan zitten om te eten. De ware reden dat Petrus zich afscheidde was angst van wat anderen ervan zouden vinden.

“Dingen …. Die gij nu niet kunt dragen”

Petrus had stelling genomen tegen de hogepriesters en het Sanhedrin toen hij zei “Men moet Gode meer gehoorzaam zijn, dan den mensen.” (Hand. 5:29). God had in hem gewerkt dat hij zijn leven had willen riskeren door het Evangelie te verkondigen, hij was in de gevangenis gegooid, en hier door Goddelijk ingrijpen weer uit weggekomen. Toch was er een deel van het Evangelie waar Petrus strijd mee had dat volledig te omarmen.  “Want wij zijn de besnijding, wij, die God in den Geest dienen, en in Christus Jezus roemen, en niet in het vlees betrouwen.” (Fillip. 3:3) en ook “Want die is niet een Jood, die het in het openbaar is; noch die is de besnijdenis, die het in het openbaar in het vlees is; Maar die is een Jood, die het in het verborgen is, en de besnijdenis des harten, in den geest, niet in de letter, is de besnijdenis; wiens lof niet is uit de mensen, maar uit God.” (Rom 2:28-29) als ook “Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar een nieuw schepsel. En zovelen als er naar dezen regel zullen wandelen, over dezelve zal zijn vrede en barmhartigheid, en over het Israel Gods.” (Gal 6:15-16).  Waarom hadden Petrus en Barnabas, blijkbaar samen met “de andere Joden” zoveel moeite om gelovige heidenen te accepteren als “het Israel van God” en hun eigen fysieke afstamming als “drek (Fillip. 3:8)” te achten ?  De reden hiervoor wordt ons gegeven in Joh. 16: 12 – “Nog vele dingen heb Ik (Christus) u te zeggen, doch gij kunt die nu niet dragen.”

Het was net zo moeilijk voor de originele twaalf apostelen van Christus om dit te geloven als het vandaag de dag voor Christenen is als er gezegd wordt “Want gelijk zij allen in Adam sterven, ALZO zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden.”  (1 Kor 15:22)

Ook vandaag nog zijn er velen die Gods verordening dat “de zoon van de slaaf (het Jeruzalem dat nu is – Gal. 4:25) niet zal erven met de zoon van de vrije” (Gal 4:30) maar … “Zo dan, broeders, wij zijn niet kinderen der dienstmaagd, maar der vrije.” (Gal 4:31)

Afbreken van Israel .... naar het vlees (Rom 11:19 ; 9:3)

In Handelingen 2:29 spreekt Petrus tot de Joden uit “elke natie onder de hemelen gegeven” (Hand 2:5) op de dag van de uitstorting van Gods Geest, en laat hen vanuit de Schrift de voorspelling van de komst van Christus zien. Hij citeert uit de Psalmen wanneer hij zegt “Alzo hij (David) dan een profeet was, en wist, dat God hem met ede gezworen had, dat hij uit de vrucht zijner lenden, naar het vlees , den Christus verwekken zou, om Hem op zijn troon te zetten;” (Hand. 2:30)  Wanneer God zegt “naar het vlees ” dan bedoelt Hij “naar het vlees”. Christus kwam “uit de vrucht zijner (Davids) lendenen, naar het vlees”.

Hetzelfde geldt als God zegt “Die (God) ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaars des Nieuwen Testaments, niet der letter, maar des Geestes” (2 Kor 3:6), dan betekend dat geestelijk. Inwendige Joden zijn Joden. [dat is geestelijk] (Rom 2:29). Het verbond met Abraham werd door God in Christus bevestigd, [dat is geestelijk]  (Gal 3:17) En indien gij van Christus zijt, zo zijt gij dan Abrahams zaad, en naar de beloftenis erfgenamen. [dat is geestelijk] (Gal 3:29) Paulus interpreteert “van de rivier van Egypte tot de rivier de Eufraat” als zijnde de “wereld”  [dat is geestelijk] (Rom 4:13) Hij legt uit aan de heidense Korinthiers dat de heiligen (Gods uitverkoren weinig…veel geroepen, weinig uitverkoren) “de wereld oordelen zullen” [ook dit is geestelijk] (1 Kor 6:2) Dit is omdat ze, in Christus, gerekend worden als Abrahams zaad en erfgenamen naar de belofte zijn [ook geestelijk] (Gal 3:29) Het is alles “naar de geest” (2 Kor 3:6 ; Rom 2:29)

“… de natuurlijke mens (de mens “van de letter” of “context, context, context”) ontvangt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn (De Geest is het, Die levend maakt; het vlees is niet nut. De woorden [Christus is het Woord], die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven [Christus zegt, Ik ben het leven] Joh. 6:63) ; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan (Niet kunnen heeft ook weer niets met willen te maken, anders had God wel gezegd “hij wil ze niet verstaan”), omdat zij geestelijk onderscheiden worden.” (1 Kor 2:14)

En alzo zal geheel Israel (Israel naar het vlees) zalig worden (Rom 11:26)

In 1 Kor 15 zegt God door Paulus: “Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden. Maar een iegelijk in zijn orde: …” (1 Kor 15:22-23) In welke orde zal het dan zijn waarin “Israel naar het vlees” levend gemaakt  zal worden ?

God legt dat door Paulus uit in Rom 11: “Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat gij niet wijs zijt, bij uzelven), dat de verharding voor een deel over Israel gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn. En alzo zal geheel Israel zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob. En dit is hun een verbond van Mij, als Ik hun zonden zal wegnemen.”

En wanneer zal HIJ hun zonden wegnemen ?

De Vallei vol dorre beenderen

Diegenen die de dingen “bedenken”  die op de aarde zijn (Die hun geest gericht hebben op de dingen die op de aarde zijn is een betere vertaling) zeggen dat dit tijdperk gedurende het millennium zal zijn. Ze citeren Ezechiel 37, het hoofdstuk uit de Schrift welke refereert aan de “vallei volle dorre beenderen”.

Hoofdstuk 36 geeft de inleiding voor hoofdstuk 37. Het is geadresseerd aan “de bergen  Israels” (Eze 36:1) In de eerste 20 verzen beschrijft de Heere HEERE  hun straf, en waarom ze worden gestraft. In vers 21 zegt de Heere HEERE  “Maar Ik verschoonde hen (had medelijden met hen) om Mijn heiligen Naam, dien het huis Israels ontheiligde onder de heidenen, waarhenen zij gekomen waren. Daarom zeg tot het huis Israels: Zo zegt de Heere HEERE: Ik doe het niet om uwentwil, gij huis Israels! maar om Mijn heiligen Naam, dien gijlieden ontheiligd hebt onder de heidenen, waarhenen gij gekomen zijt.” Vers 25 zegt “Dan zal Ik rein water op u sprengen, en gij zult rein worden” vers 26 “En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven.”

Wanneer vlees geen vlees is

We moeten op deze kruising vaststellen wat er bedoelt wordt met het vervangen van een hart van steen voor een hart van vlees. Hebben Joden een “hart van steen”? Hoe kan iemand een hart van steen hebben ? Een hart van steen staat voor de geestelijke mens gelijk aan iemand die naar het vlees denkt, leeft en handelt. “Daarom dat het bedenken des vleses vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich der wet Gods niet; want het kan ook niet.” (Rom 8:7)

God zegt door Ezechiël dat dit “hart van steen” vervangen gaat worden door een “hart van vlees” Als een “hart van steen” figuurlijk is, en het mag duidelijk zijn dat dit het is, wat is dan de betekenis van een “hart van vlees” in dit vers ?

Het antwoord hierop wordt gevonden in 1 Korinthe 15. “Maar, zal iemand zeggen: Hoe zullen de doden opgewekt worden, en met hoedanig een lichaam zullen zij komen? (Paulus lijkt een beetje verbitterd over deze vraag)  Gij dwaas, hetgeen gij zaait, (de manier waarop je je leven leeft – Gal 6:7)  wordt niet levend, tenzij dat het gestorven is; (We moeten “aan het vlees” sterven voor we “in het vlees” sterven. Gebeurt dit niet, dan horen we niet bij de eerste opstanding (Joh 12: 24-25) Paulus heeft hier dit tweeledige sterven op het oog. "En hetgeen gij zaait, daarvan zaait gij het lichaam niet, dat worden zal, maar een bloot graan, naar het voorvalt, van tarwe, of van enig der andere granen (Er zijn veel soorten graan in de Schrift). Maar God geeft hetzelve een lichaam, gelijk Hij wil, en aan een iegelijk zaad (het zaad van de slaaf of het zaad van de vrije) zijn eigen lichaam.”  (1 Kor 15: 35-38)

Voor we vers 39 van 1 Kor 15 lezen, laten we even vooruitspringen naar vers 44, en laten we in acht nemen dat dit alles in antwoord is aan de vraag “met hoedanigen lichaam zullen zij komen ?”

Beginnend in vers 44 maakt Paulus een statement die we zullen moeten accepteren en toepassen als we hopen te bevatten wat een “hart van steen” inhoud in Eze. 36:26. “Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt. Er is een natuurlijk lichaam, en er is een geestelijk lichaam. Alzo is er ook geschreven: De eerste mens Adam is geworden tot een levende ziel; de laatste Adam tot een levendmakende Geest. Doch het geestelijke is niet eerst, maar het natuurlijke, daarna het geestelijke.” (1 Kor 15:44-46)

We weten dat dit hoofdstuk gaat over de opstanding van de doden en dat er “een geestelijk lichaam” wordt opgewekt. Gaan we terug naar vers 39: “Alle vlees is niet hetzelfde vlees; maar een ander is het vlees der mensen, en een ander is het vlees der beesten, en een ander der vissen, en een ander der vogelen. En er zijn hemelse (fysieke) lichamen, en er zijn aardse  (fysieke) lichamen; maar een andere is de heerlijkheid der hemelse, en een andere der aardse. Een andere is de heerlijkheid der zon, en een andere is de heerlijkheid der maan, en een andere is de heerlijkheid der sterren; want de ene ster verschilt in heerlijkheid van de andere ster. Alzo zal ook de opstanding der doden zijn. Het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onverderfelijkheid;   Het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid; het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht.  Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt…. (1 Kor 15: 39-44)

Het opgewekte lichaam is dus “onverderfelijk”, “heerlijkheid” , “krachtig” en “geestelijk”. Maar deze onzienbare dingen van God worden uit de schepselen (uit wat gemaakt is) verstaan (Rom 1:20). Gods manier van communiceren met ons is op een manier die we kunnen bevatten…een fysieke manier. Wanneer we het nog steeds hebben over opgewekte geestelijke lichamen zegt God ons door Paulus “En er zijn hemelse (fysieke) lichamen, en er zijn aardse  (fysieke) lichamen; maar een andere is de heerlijkheid der hemelse, en een andere der aardse. Een andere is de heerlijkheid der zon, en een andere is de heerlijkheid der maan, en een andere is de heerlijkheid der sterren; want de ene ster verschilt in heerlijkheid van de andere ster.”

In de opwekking van geestelijke lichamen, hoewel ze “onverderfelijk”, “heerlijkheid” , “krachtig” en “geestelijk” zijn, zijn er nog steeds “verschillen in heerlijkheid” in elk van deze geestelijke kwaliteiten.

Terugkerend naar Eze 36 en 37, kunnen we nu zien dat het “hart van vlees” van Eze 36:26 en de zenuwen, vlees en huid van Eze 37:8 allen fysieke omschrijvingen zijn van een geestelijke opwekking. “Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt.” (1 kor 15:44) Als dit een opwekking is, dan zijn de lichamen geestelijk.

Er is een belangrijke Schrift die compleet verwaarloosd wordt door degenen zonder geestelijke ogen. Er moet wel overheen gelezen worden want het ontkend een tweede fysieke dood wat door de natuurlijke mens geëist wordt.

In Hebr 9:25, verteld God ons door Paulus dat Christus zich niet “dikwijls zou opofferen, gelijk de hogepriester alle jaar in het heiligdom ingaat met vreemd bloed;”  In vers 26 wordt ons gezegd “…maar nu is Hij eenmaal in de voleinding der eeuwen (aion) geopenbaard…” en vers 27: “En gelijk het den mensen gezet is, eenmaal te sterven, en daarna het oordeel;” Christus is eenmaal ingegaan, de mens sterft ook eenmaal.

Dit alles verklaart de tijd en de plaats van de opstanding in Ezechiel 36 en 37. Er zijn twee opstandingen, de eerste en de tweede, en niemand is in beiden. We sterven eenmaal en we worden eenmaal opgewekt. Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt is de waarheid in Gods Woord.

Het feit dat Christus verscheen in een naar wat zich liet aanzien fysiek lichaam onmiddellijk na Zijn opstanding betekend niet dat Zijn of onze opgewekte lichamen fysiek zijn. Het doel op dat moment was om aan Zijn sceptische discipelen te bewijzen dat Hij inderdaad uit de dood was opgewekt. Hij verscheen zelfs in een afgesloten ruimte met de wonden die Hij had opgelopen tijdens Zijn kruisiging om aan de twijfelende Thomas te bewijzen dat wat Thomas had gehoord, dat Christus weer in leven is, waarheid is.

Christus had geen gaten in Zijn lichaam meer nodig zoals bij de apostelen toen Hij aan Johannes verscheen. Christus verteld ons door Johannes in Openbaringen 1 “…Zijn ogen gelijk een vlam vuurs; En Zijn voeten waren blinkend koper gelijk, en gloeiden als in een oven; en Zijn stem als een stem van vele wateren.” (Openb. 1:14-15). Het blijkt dat Geest in vele vormen kan verschijnen. Hebr 11:3 – “…alzo dat de dingen, die men ziet, niet geworden zijn uit dingen, die gezien worden” Dit is een heldere boodschap. Als je iets ziet, dan is dat geworden uit iets dat je niet ziet (Gods Geest).

Als we even in deze gedachte doorgaan…Toen Christus tot Nicodemus sprak in Joh. 3:6 zei Hij “Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees; en hetgeen uit den Geest geboren is, dat is geest.” Gedenk dat God ons door Paulus gezegd heeft “..een geestelijk lichaam wordt opgewekt” (1 Kor 15:44)

Lees nu Joh. 3:8 – “De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid; maar gij weet niet, van waar hij komt, en waar hij heen gaat; alzo is een iegelijk, die uit den Geest geboren is.”

Iedereen die uit de Geest geboren is is onzichtbaar als de wind ? Dat is wat Christus Nicodemus vertelde. Dus toen Christus in het vlees verscheen na Zijn opstanding, was dit in het belang van degenen in het vlees. Het zou anders totaal onnodig zijn geweest. Zicht op het fysieke is essentieel voor degenen die in het vlees zijn. Rom 8:9 – “Doch gijlieden zijt niet in het vlees, maar in den Geest, zo de Geest Gods in u woont …”

Als je alleen met fysieke ogen kan zien, en als je, net als de ongelovige Thomas en Nicodemus het horen van geestelijke dingen niet kan verdragen dan zal voor jou “het Israel Gods” hetzelfde zijn als “Israel naar het vlees”.

God zegt ons door Daniel 12:2 – “…En velen van die, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwigen (Hebreeuws: olam) leven, en genen (vlees van beesten (“Ik zeide in mijn hart van de gelegenheid der mensenkinderen, dat God hen zal verklaren, en dat zij zullen zien, dat zij als de beesten zijn aan zichzelven.” Pred 3:18)  … en glorie van het aardse) tot versmaadheden, en tot eeuwige (Hebreeuws: olam) afgrijzing."  Dit valt samen met Ezechiel 36:27: “En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken (door beproevend vuur – 1 Kor 3:13 en tuchtigend oordeel – 1 Kor 11:32) , dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen.” en “Dan zult gij gedenken aan uw boze wegen en uw handelingen, die niet goed waren; en gij zult een walging van u zelf hebben over uw ongerechtigheden en over uw gruwelen.” (Eze 36:31)

“Onvergankelijke” “heerlijke” “krachtige” “geestelijke” lichamen die “gedenken aan hun boze wegen” die “een walging van zichzelf hebben” die opgewekt worden tot eeuwig (olam) afgrijzen.

Wanneer zal het fysieke Israel opgewekte worden ?

Israel “in het vlees” is niet beter of slechter dan heidenen “in het vlees” Noch besnijdenis, noch voorhuid heeft enige kracht (Gal 6:15). Hieruit volgt dat de opstanding en het loon van beiden gelijk moeten zijn…en dat zijn ze. De beweringen, en dat is alles wat ze zijn, van de Joden, de Katholieken of de Protestanten die het tegendeel beweren, zal Gods Woord niet falen. Dezelfde profeet die ons het “hele huis Israels” “zonder hoop” en “afgesneden” van God “in een vallei van dorre beenderen” laat zien, geeft ons de timing van deze gebeurtenis.

Sprekend tegen Jeruzalem (Eze 16:3) verteld God “haar” (Eze 16:55) “Als uw zusters, Sodom en haar dochteren, zullen wederkeren tot haar vorigen staat, mitsgaders Samaria en haar dochteren zullen wederkeren tot haar vorigen staat, zult gij ook en uw dochteren wederkeren tot uw vorigen staat.” Dit is wat God door Paulus bedoelde toen hij zei “En alzo zal geheel Israel zalig worden…” (Rom 11:26) Dit is waar God door Paulus over sprak toen hij zei: “Want indien hun (Israël naar het vlees) verwerping de verzoening is der wereld, wat zal de aanneming wezen, anders dan het leven uit de doden?” (De tweede opstanding, die er komt voor de gehele mensheid) (Rom 11:15)

Dit is wat Paulus bedoelde toen hij zei “Zo dan, broeders, wij zijn niet kinderen der dienstmaagd, maar der vrije.” (Gal 4:31) en “niet de kinderen des vleses, die zijn kinderen Gods; maar de kinderen der beloftenis (dat zijn wij) worden voor het zaad gerekend.” (Rom 9:8) Israel is dus niet langer Israel naar het vlees, maar wat Paulus in zijn uiteenzetting in Galaten noemt “het Israel Gods” (Gal 6:16). En “Want gelijk zij allen in Adam sterven (Heb jij gekozen om “in Adam”te zijn ?), alzo zullen zij ook in Christus (Het is God die ons trekt, een ieder naar zijn orde)  allen levend gemaakt worden. (1 Kor 15:22). Dan zal Abrahams zaad zeker zijn als “de sterren aan de hemel of het zand aan de zee naar aantal”

Toen opende Hij hun verstand

In het laatste hoofdstuk van Lukas, hoofdstuk 24, wordt ons verslag gedaan van een aantal gebeurtenissen die verband houden met de opstanding van Christus. In vers 13 t/m 16 wordt ons verteld: “En zie, twee van hen gingen op denzelfden dag naar een vlek, dat zestig stadien  (circa 12 km) van Jeruzalem was, welks naam was Emmaus; En zij spraken samen onder elkander van al deze dingen, die er gebeurd waren. En het geschiedde, terwijl zij samen spraken, en elkander ondervraagden, dat Jezus Zelf bij hen kwam, en met hen ging. En hun ogen werden gehouden, dat zij Hem niet kenden.”  Christus participeert in de conversatie van de Emmaus gangers en in vers 27 wordt ons verteld: “En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was.”

Hier is Christus zelf “het Woord recht aan het snijden” “de dingen die van Hem geschreven waren”. Wat waren “dingen van Hem geschreven ? Dat waren de dingen die Hij openbaar had gemaakt aan Jakobus, Petrus, Johannes, Lukas, etc. en in de meeste gevallen waren dat dingen waarvan de hedendaagse Bijbel uitleggers zeggen dat ze “uit de context” zijn, dat ze “uit zijn verband” gerukt worden, dat ze “vergeestelijkt” worden. Christus legt aan deze mannen uit dat woorden met betrekking tot David, Israel, etc.  feitelijk “van Hem geschreven was”. Christus begint aan een maaltijd met deze twee discipelen “En hun ogen werden geopend, en zij kenden Hem; en Hij verdween uit hun gezicht.” (vers 31). Op het moment dat ze geestelijke ogen kregen, verdwijnt Christus uit hun natuurlijke zicht. Dit is wat er gebeurt met de Emmaus gangers, iets wat Paulus later omschrijft in 1 Kor 5:6 – “Zo dan, wij kennen van nu aan niemand naar het vlees; en indien wij ook Christus naar het vlees gekend hebben, nochtans kennen wij Hem nu niet meer naar het vlees.”

Aangaande bijbelse typologie is het belangrijk dat ze hun “geopende ogen” kregen terwijl “het brood gebroken werd” (Joh 6:48). Dit scenario wordt binnen een paar uur nog eens herhaald. Lukas 24:33 “En zij (de Emmaus gangers), opstaande ter zelfder ure, keerden weder naar Jeruzalem, en vonden de elven samenvergaderd, en die met hen waren; (vers 35) “En zij vertelden, hetgeen op den weg geschied was, en hoe Hij hun bekend was geworden in het breken des broods.” (vers 36) “En als zij van deze dingen spraken, stond Jezus Zelf in het midden van hen, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden!” (vers 41) “En toen zij het van blijdschap nog niet geloofden, en zich verwonderden, zeide Hij tot hen: Hebt gij hier iets om te eten?” En nogmaals tijdens een maaltijd, “het breken van het brood” wordt ons verteld (vers 45) “Toen (dus niet eerder) opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden.”

Het “voedsel”, of “het breken van het brood” betekend voor degenen die ogen hebben om te zien en oren om te horen het verstaan van de “geest” (2 Kor 3:6) van het Nieuwe Verbond.

Hoe Petrus de Schrift verstond

Wat de discipelen gegeven werd “ … dat ze de Schriften verstonden” was een principe van Schriftuurlijk verstaan die de context georiënteerde manier van redeneren in vrijwel elke Christelijke gezindte of groepering tart, of het Katholiek of Protestants is. Laten we de toepassing van de Schrift nog eens bezien door één van de apostelen die we nog niet op deze wijze geciteerd hebben.

In Handelingen 1 zijn de discipelen vergaderd in de bovenkamer, in afwachting van de uitstorting van Gods Heilige Geest. Petrus stond in het midden van de discipelen op en zei “Mannen broeders, deze Schrift moest vervuld worden, welke de Heilige Geest door den mond Davids voorzegd heeft van Judas, die de leidsman geweest is dergenen, die Jezus vingen;” (Hand 1:16) Petrus zegt hier dat de Psalmen die hij op het punt staat te citeren “door de Heiligen Geest” spreken over Judas. “Want er staat geschreven in het boek der Psalmen; Zijn woonstede worde woest, en er zij niemand die in dezelve wone. En: Een ander neme zijn opzienersambt.” (Hand. 1:20)

Dit vers in Handelingen wordt nergens in de bijbel gevonden zoals het hier geciteerd wordt. Het is een samenvoeging van halve zinnen van twee gescheiden Psalmen met vele Psalmen ertussen. Het eerste gedeelte komt uit Psalm 69:25. David vraagt God in deze Psalm bescherming tegen zijn vijanden. “Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel.” (vers 1)  “...mijn gebed is tot U, o HEERE…” (vers 13)  “Ruk mij uit het slijk, en laat mij niet verzinken; laat mij gered worden van mijn haters, en uit de diepten der wateren.” (vers 14)  “….verlos mij om mijner vijanden wil.” (vers 18) “…al mijn benauwers zijn voor U.” (vers 19). In context gaat dit allemaal over Davids vijanden. Maar “Toen opende Hij (Christus) hun verstand, opdat zij (de apostelen) de Schriften verstonden.” (Lukas 24:45) Petrus begrijpt nu over wie het  feitelijk gaat. Het eerste vers wat door Petrus geciteerd wordt in Handelingen 1:20, namelijk Psalm 69:25, “Hun paleis (woonstede) zij verwoest; in hun tenten zij geen inwoner.” gaat het “welke de Heilige Geest voorzegd heeft” blijkbaar over Judas.

Het tweede gedeelte van Handelingen 1:20 wordt geciteerd uit Psalm 109. Ook dit is een Psalm van David. In vers 2 zegt de Heilige Geest door David “Want de mond des goddelozen en de mond des bedrogs zijn tegen mij opengedaan;…” Van vers 2 tot en met vers 19 roept David vervloekingen af over ZIJN vijanden. Vers 20 zegt: “Dit zij het werkloon MIJNER (Davids) tegenstanders…”

Maar Christus had nog maar een paar dagen geleden “hun verstand geopend, opdat zij de Schriften verstonden.” (Hand 24:45)

Gewapend met dit nieuwe principe van “verstaan” haalt Petrus een zin uit Psalm 69:25 totaal uit zijn “context”, voegt dit samen met een totaal uit zijn “context” gehaalde zin uit een totaal andere Psalm en concludeert dat al deze ervaringen van David refereren aan het verraad van Judas.

Waar haalden de apostelen het “verstaan van de Schriften” wat zulke “uit de context” “prooftexting” en “daar kan je alle kanten mee op” toepassing van de Schrift toch vandaan ?

CHRISTUS gaf dat aan hen. “Toen opende Hij (CHRISTUS) hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden.” Wat was het dat ze op dat moment wel verstonden, wat ze daarvoor nooit verstaan hadden ?

In Lukas 24:44 stelt Christus het volgende principe. Een principe wat verworpen wordt door diegenen die, over het algemeen gesproken, zichzelf zien als het “lichaam van Christus”. “En Hij zeide tot hen: Dit zijn de woorden, die Ik tot u sprak, als Ik nog met u was, namelijk dat het alles moest vervuld worden, wat van Mij geschreven is in de Wet van Mozes, en de Profeten, en Psalmen.”

Christus had al jaren onderwijs gegeven aan de apostelen. In Lukas 24:44-45 worden de geestelijke ogen en oren (die daarvoor verblind en bedekt waren)  door Christus geopend om te herinneren en te begrijpen wat Hij hen al die tijd al had laten zien. Het principe is “…namelijk dat gelijk Hij is, wij ook zijn in deze wereld.” (1 Joh 4:17) Christus werd verworpen door de kerk. Zijn doctrines waren meer dan zij konden verdragen. Als alle “uit de context” verzen die in dit schrijven geciteerd zijn, van vrijwel iedere schrijver in het Nieuwe Testament, enige indicatie is van wat Christus hen geleerd heeft, dan is het helder “De discipel is niet boven den meester, noch de dienstknecht boven zijn heer.” (Matth 10:24) “Die u ontvangt, ontvangt Mij; en die Mij ontvangt, ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft.” (Matth 10:40)

Matth 25:40 en 45 sommen het alsvolgt op: “Voor zoveel gij dit een van deze Mijn minste broeders gedaan hebt, zo hebt gij dat Mij gedaan.”

Met andere woorden, Christus onderwees Zijn apostelen keer op keer dat alles wat toegepast werd op de aartsvaderen of de profeten, of Israel of een individuele Israëliet (een van deze Mijn minste broeders) ook op Christus wordt toegepast. Zo ook, alles wat op Christus van toepassing is als het Hoofd van zijn Lichaam, zal op elk deel van Zijn Lichaam of geestelijk Israel worden toegepast.

Als het Hoofd lijdt, moet het lichaam mee lijden (Rom 8:17 en 2 Tim 2:12) “…namelijk dat gelijk Hij is, wij ook zijn in deze wereld.” (1 Joh 4:17)

Als Christus gehaat werd, zullen ook wij gehaat worden (Matth. 10:22-25)

Wat op David of enige andere Oud Testamentische patriarch, profeet of individuele Israëliet van toepassing is, is op Christus van toepassing, en door Christus op ons, Zijn lichaam.

Dit was het principe waarin de apostelen zo lang en zo herhaaldelijk onderwezen waren, dat het, toen eenmaal “hun verstand geopend was” geen enkele uitleg of verontschuldiging meer behoefde, omdat het begrepen werd door de anderen, wiens verstand ook geopend was. Door hen werd het begrepen, maar voor de massa is het nog steeds bedekt (Mattheus 13:11)

Hoe worden zonden gerelateerd aan een perfecte Christus ?

Iemand kan zeggen “maar David en Daniël en al die anderen, ons allen inbegrepen hebben zonden beleden….hoe kan dit worden toegepast op een perfecte en zondeloze Christus ? “Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt….” (2 Kor 5:21)

David zegt “Verberg Uw aangezicht van mijn zonden, en delg uit al mijn ongerechtigheden.” (Ps 51:9)  Christus zegt hetzelfde tegen de Vader voor David, de aartsvaders, Israel en voor elk deel van Zijn Lichaam.

Uit de context ?

We zien dat de geestelijke toepassing totaal niet uit de context is. De letterlijke en vleselijke toepassing is fout. “Die (God) ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaars des Nieuwen Testaments, niet der letter, (het natuurlijke, het vlees, het letterlijke, het context georiënteerde) maar des Geestes; want de letter doodt, maar de Geest (Voor zoveel gij dit een van deze Mijn minste broeders gedaan hebt…) maakt levend.” (2 Kor 3:6). En volgens Romeinen 7:6 “Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de (letter van de) wet, overmits wij dien gestorven zijn, onder welken wij gehouden waren; alzo dat wij dienen (de Wet van God – Rom 7: 22 en 25)  in nieuwigheid des geestes, en niet in de oudheid der letter.”

Prooftexting?

God heeft ons door Petrus bekend gemaakt dat “Dit eerst wetende, dat geen profetie der Schrift is van eigen uitlegging; Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken.” (2 Petrus 1:21-21)

Het woord “eigen” in vers 20 is idios  #Strongs2398 in het Grieks. Het komt 112 keer voor in het Nieuwe Testament en wordt in het algemeen geïnterpreteerd als “eigen” of “apart”. Dus, “geen profetie der Schrift” mag apart genomen worden van andere Schrift of  op zichzelf staand gebruikt worden. Waarom niet ? “Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken.”

Het heeft alles dezelfde Auteur, de Heilige Geest van God, het zal zichzelf dan ook nooit tegenspreken als het als geheel genomen wordt.

Psalm 119:160 zegt in de King James versie “Uw Woord is waar van de beginne” en de Statenvertaling zegt: “Het begin Uws Woords is waarheid” De Concordante vertaling en vele andere vertalingen herkennen echter de juiste vertaling van het Hebreeuws en leren ons “de som van uw Woord is waarheid….” Psalm 139:17 leert ons “Daarom, hoe kostelijk zijn mij, o God, Uw gedachten! hoe machtig veel zijn haar sommen!”

Geen profetie der Schrift is van eigen uitlegging, maar het dient genomen te worden in de context van de rest van de Schrift (de gehele Schrift). Het principe waar Paulus aan refereert in 2 Kor 13:1 – “…in den mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan.” Is speciaal waar wanneer we het Woord van God gebruiken. Als je een enkele Schrift hebt om doctrine op te baseren, dan heb je geen Schriftuurlijke grond voor die doctrine. Een geïsoleerde Schrift is niet genoeg.

Maar de vleselijk georienteerde persoon kan dit principe van het begrijpen van Gods Woord niet accepteren: “Zo zal hun het woord des HEEREN zijn; gebod op gebod, gebod op gebod, regel op regel, regel op regel, hier een weinig, daar een weinig; opdat zij heengaan, en achterwaarts vallen, en verbreken, en verstrikt en gevangen worden.” (Jes. 28:13) Gods methode voor degene die Zijn Woord begrijpen is dezelfde methode die Hij gebruikt om het te verbergen voor diegenen die het niet gegeven is de verborgenheden van het Koninkrijk te weten. (Math. 13:11)

Het is precies als bij de Rode Zee. Dezelfde wolkkolom die het Israël van God naar het vlees licht gaf in de nacht, was diepe duisternis voor de Egyptenaren.

 “Daar kan je alle kanten mee op”

De titel hierboven is een rechtstreekse quote van een dominee die zich vastklampt aan het moderne letterlijke context georiënteerd begrip van Gods Woord. Deze zelfde dominee geeft toe dat “Lam van God” niet letterlijk genomen moet worden. Ook geeft men toe dat de Leeuw van de stam van Juda niet letterlijk genomen moet worden….dat we niet letterlijk tempels zijn…dat we niet letterlijk het vlees van Christus eten en het bloed van Christus drinken. Het gaat hier over de overgrote meerderheid van de herders en leraren van het Christendom…tenminste…als we over de protestantse tak spreken

Er zijn zelfs dominee’s die zover kunnen gaan dat ze onderschrijven dat het woord “vuur” in de Schrift figuurlijk (geestelijk) is en dat dus ook “de poel van vuur” figuurlijk (geestelijk) is. Er is een onderwerp die veruit de meeste echter niet herkennen als figuurlijk, of een type van, en dat is het onderwerp waar Paulus zo veel aandacht aan besteed heeft, Wie is de ware “besnijdenis” , wie zijn het zaad van Abraham, wie zijn de kinderen van de vrije en wat is het ware “Israël van God”. Aangaande deze punten kunnen de meeste christenen het vleselijke niet opgeven voor het geestelijke.

Terwijl er velen zijn die het “Israël van God” niet herkennen als zijnde diegenen die in Christus zijn, ze herkennen op zijn minst disciplinerende genade, het “als we met Hem lijden, zullen we met Hem regeren” gedeelte van het Evangelie. Aan de andere kant, veel van hen die zeggen “je kunt alle kanten op met het geestelijk benaderen van de Schrift” zijn dezelfde mensen die leren dat we gered worden “door genade alleen”; dat de verklaring “we zijn niet onder de wet maar onder de genade” betekend dat Gods wet niet van toepassing is op christenen. Het is dit letterlijk, vleselijk georiënteerde denken waar je “alle kanten mee op kan”

Het ware geestelijke gebruik van de Schrift leidt je nergens anders heen dan waar Christus en de apostelen er mee naartoe gingen, en dat was rechtstreeks naar de Vader door Christus.

Is er dan niets wat letterlijk of natuurlijk genomen moet worden ?

Nu we zoveel pagina’s gegeven hebben waarin duidelijk wordt dat “Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden.” (1 Kor 2:14)  kunnen we deze studie niet besluiten zonder op te merken dat ons in hetzelfde boek verteld wordt dat “Doch het geestelijke is niet eerst, maar het natuurlijke, DAARNA het geestelijke.” (1 Kor 15:46).  Een tweede getuige voor dit principe is Romeinen 1:20 – “Want Zijn onzienlijke dingen worden, van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, beide Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn.”

Het geestelijke wordt verstaan door het natuurlijke, en het geestelijke komt nooit eerst, het natuurlijke komt eerst.

Elk detail van de eerste komst van Christus is in overeenstemming met deze waarheid vervuld op een letterlijke manier. Christus was: “geboren uit een maagd”, “geroepen uit Egypte” , “Rachel huilde om haar kinderen” , “verlaten door zijn vrienden” , “geen been werd gebroken” , “Zijn klederen werden verdeeld” etc. etc

Er is geen detail dat geen “natuurlijk eerst” vervulling heeft. Alhoewel het natuurlijke eerst komt, is het niet het natuurlijke dat ons redt, maar het geestelijke. “Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door den dood Zijns Zoons, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven.” (Rom. 5:10)

“De Geest is het, Die levend maakt” (Joh 6:63) en “En Hij is voor allen gestorven, opdat degenen, die leven, niet meer zichzelven zouden leven, maar Dien, Die voor hen gestorven en opgewekt is.   Zo dan, wij kennen van nu aan niemand naar het vlees; en indien wij ook Christus naar het vlees gekend hebben, nochtans kennen wij Hem nu niet meer naar het vlees.” (2 Kor 5:15-16)

Er was niemand die de tekenen herkende van de eerste komst van Christus; de herders, de wijzen, Simeon en Anna in de tempel en Maria, Jozef, Elizabeth en haar man Zacharias ontvingen allen bovennatuurlijke openbaringen aangaande de geboorte van Christus. Het leid geen twijfel dat dit hele scenario herhaald zal worden aangaande de tekenen van Zijn tweede komst. Iedereen was in verwachting van de komst van de Messias, maar niemand herkende Hem toen Hij kwam. Iedereen in de Christelijke wereld kijkt uit naar de wederkomst van Christus. Geen twijfel dat de tekenen van Zijn tweede komst ook vervuld zullen worden, maar er is niets verandert. Christus heeft ons duidelijk gemaakt dat de religieuze leiders “het aanschijn des hemels” (het uitwendige, het letterlijke, het fysieke) wel weet te onderscheiden, maar dat ze de tekenen der tijd niet kunnen onderscheiden. Wie weet hoe veel zegels uit het boek openbaringen alreeds geopend zijn, zonder dat iemand dat in de gaten heeft….hoeveel trompetten er al geklonken hebben, en Gods volk hoort nog steeds de roep tot strijd niet ? Verwachten degenen die denken dat “Gods Israël” diegenen zijn die Christus hebben laten kruisigen dat er zeven letterlijke zegels geopend zullen worden en zeven letterlijke trompetten zullen klinken ?

De wereld heeft zijn ogen gericht op het Midden Oosten, terwijl Christus ons aanspoort te waken en onze klederen te bewaren. “Ziet, Ik kom als een dief. Zalig is hij, die waakt en zijn klederen (niet je jeans of je jurk) bewaart, opdat hij niet naakt wandele, en men zijn schaamte niet zie.” (Openb. 16:15)

Laten we samen met Paulus bidden “wordt dezer wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven, welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij. (Rom 12:2)

Als je Gods geschreven Woord benadert om je eigen gelijk te bevestigen, naar je eigen vooropgezette ideeën, wat door Ezechiel “drekgoden van het hart” genoemd wordt, dan zul je precies dat zien wat je wenst te zien. Maar het geschreven Woord, de waarheid, net als Christus in het vlees, zal een gesloten deur zijn, het ware licht wat onder de oppervlakte schuilt in zich verbergend.

Als je aan de andere kant tot het geschreven Woord gebracht word met een open hart, alleen op zoek naar de waarheid en de doctrines van God, als je elk voorondersteld idee, elke valse kerkdoctrine, elk grammetje trots, door Gods genade los kunt laten, dan word het geschreven Woord een wijd openslaande dubbele (als in twee getuigen) deur, waar een licht in schijnt wat helderder is als de zon, schijnend op waarheden die nooit gezien zijn door de natuurlijke mens alhoewel ze er altijd al waren, en je er al jaren over struikelt. Je zult je verwondert afvragen “Hoe is het mogelijk dat ik zo lang zo blind ben geweest”

Zo was het ook met Christus in het vlees. Wie waren het die Christus konden ontvangen ? Het waren de door een ieder gehate tollenaren. Het waren de door iedereen verachtte hoeren, die waarschijnlijk ook zichzelf verachtte, het waren de armen die niets te verliezen hadden, de zieken die geen andere hoop hadden. Dit waren degenen die zover gebracht waren zodat de Geest van God de liefde, de genezing en de hoop in hen kon werken die ze daarvoor nooit hebben gekend.

Zo is het met de Heer, zo is het met het geschreven Woord. Als we daar gebracht worden dat we het nodig krijgen zal God het ons openbaren.

De mate van door God gegeven inzicht lijkt samen te hangen met de honger en de nood die in het individu gewerkt wordt. “..Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht..” (2 Kor 12:9)

Zoeken binnen de site

Artikelen

Links

willbe

anilink

get adobe reader

Wie is online

We hebben 8 gasten en geen leden online